Wij zaten in een caravan, net als zeven andere gezinnen.
Samen waren we de allereerste bewoners van Almere.

Ik heb er nog een foto van.
Heel Almere, in dat kleine straatje.
Er is ook een beeldje van geweest, maar waar dat gebleven is weet niemand.
Het stond in Haven, in het gemeentehuis.
Ik weet het ook niet.

Bivak twee.
Er was al wel straatverlichting, maar verder was er weinig.
De eerste nachten stormde het.
In onze schuddende caravan vroegen we ons af of het altijd zo zou blijven.

Het nummer van de politie was 11111.
Lekker makkelijk te onthouden.
Tijdens één van mijn diensten gaat de telefoon over.
Ik pak op en hoor een kinderstemmetje: “Papa?”
Die had met de telefoon zitten spelen.
Kun je nagaan hoe lang geleden dat was.
Maar dat zijn wel de dingen die je onthoudt.

Ook kreeg ik eens een mevrouw aan de telefoon die klaagde over de katten van de buurvrouw.
Dat die de bloembollen eruit krabden.
Of ik daar niet iets van wilde komen zeggen als politie.
“Maar heeft u zelf al iets tegen haar gezegd?”
“Nee, want die komt uit Amsterdam en kijkt zo brutaal.”

Wij zitten tijdens de dienst niet altijd in de omgeving.
We hadden heel Zuidelijk Flevoland.
Heel Oostvaarders van dijk tot dijk, het Gooimeer en er waren nog niet zo gek veel wegen.
Er werden landbouw voertuigen gestolen en gestroopt.
Het werk bij de politie was hartstikke mooi.

Door mijn werk heb ik op veel verschillende plekken gewoond.
Zo vertrokken we ook weer uit Almere.
Pas na 16 jaar kwamen we weer terug.

Nu woon ik in een hele prettige groene buurt.
Maar wel alleen.
Ik heb een fijne hulp en mijn jongste dochter komt elke maandag bij me eten.
Soms doet de hond iets grappigs en dan kijk ik opzij.
“Zag je dat?”
Haar laatste borduurwerkje hangt onaf en met de naald er nog in aan de muur.
Thuis.

Dit verhaal is van Wim